Paul Pleijsier - Gitarist  
     

Onlogische zaken bovenaan de toets

Over de bijdragen van de geniale Antonio de Torres (1817-1892) aan de gitaarbouw zijn boeken volgeschreven. U weet wel: het gewelfde, dunne bovenblad, het geperfectioneerde waaiervormige zangbalkensysteem, de lichte bouw, het kamontwerp, de proporties enz. Latere bouwers adopteerden deze kenmerken gretig, maar er is er eentje die, als een soort verstekeling, ook altijd maar mee-gekopieerd wordt, terwijl die in onze tijd nergens meer op slaat: de gespleten 19de fret.

Torres
Antonio de Torres

Toen Torres begon telde de gitaar 17 fretten. Sommige stratosferische escapades, bijvoorbeeld bij Carulli, waren impliciet bedoeld om ‘fretloos’, met de nagel op de snaar gespeeld te worden. Virtuoos met een knipoog. En de geachte heren Coste en Legnani, beiden bespelers van extended fret-guitars, waren in wezen verdienstelijke randverschijnselen. Als je daar fan van was moest je ook maar zo’n gitaar kopen, met 7 of 8 snaren en een stuk of 24 frets. Of genoemde heren ook binnen het Spaanse cultuurgebied een rol speelden weet ik niet, maar een bekende Spanjaard als Aguado kwam nooit boven een 17de frets ‘a’ uit, en Sor al helemaal niet.

De twee extra fretten die Torres aan de standaarduitrusting van de gitaar toevoegde waren dus in wezen nieuw speelgoed. Niemand die het erg vond dat die 19de fret doorkliefd werd door de rand van het klankgat. Een gegeven paard….

Julian Arcas (1832-1882) was de eerste bekende Torres-speler en hij wist de nieuwe fretjes wel te vinden, evenals later Tarrega (1852-1909). Men speelde als voorheen, alleen kwam het hoogtepunt van de meest virtuoze loopjes nu een trapje hoger te liggen. U begrijpt, nieuw territorium wordt door de creatieve speler snel ontgonnen.

De innovaties van Torres waren blijvend. Om te beginnen in de Spaanse gitaarbouw. Vervolgens elders.

Ramirez 1912 (Segovia)
Manuel Ramirez 1912 (Segovia’s gitaar)

Santos hernandez
Santos Hernandez 1930

Simplicio 1930
Simplicio 1930, innovatief, maar toch een vasthoudendheid aan de traditie, een fysieke reden voor de ’split 19′ ontbreekt

Hauser 1937
Hauser 1937 (Segovia’s gitaar)

“Paulus, wat maak je je nou weer druk over een gespleten 19de fret? In die contreien zitten we toch nooit met onze vingers..”

Dat vele personen zo achteloos redeneren, heb ik helaas op discussielijsten mogen ervaren. Alsof de gitaar een afspiegeling zou moeten zijn van de beperkingen van een speler… Een citaat: “(I) don’t much care either way as it is not important to me or practically anyone for that matter”.

Misschien zit je zelf nooit met je vingers op die 19de fret, maar er bestaat minstens één repertoire-stuk dat gebruik maakt van die fret, waarbij het een nadeel is dat die fret gespleten is.

Het gaat uiteraard om No. 4 uit de Douze Études van Villa Lobos uit 1929, als cyclus één van de parels van het gitaarrepertoire. Op de eerste tel van maat 15 vinden we een forte-accoord dat vraagt om drie tonen op de negentiende fret. Waarvan er twéé in de Torres-spleet vallen, en dus een larmoyant geluid produceren.

Een ander citaat: “Just don’t play that piece”.

Diverse bouwers, al dan niet getipt door gitaristen, begonnen een 19de fret uit één stuk te installeren. Een kleine moeite, want het klankgat moest slechts een paar millimeter opschuiven. Er waren bovendien genoeg precedenten uit de gouden periode direct na Torres. De ware moeite was mentaal, je moest durven afwijken van de kudde.

Manuel Ramirez 1910
Manuel Ramirez 1910

Domingo Esteso 1910
Domingo Esteso 1920

Simplicio 1926
Simplicio 1926 (zelfs met toegift)

Ignacio Fleta 1960
Ignacio Fleta 1960

Daniel Friederich 1980
Daniel Friederich 1980

David Russell\'s John Gilbert guitars
3 maal John Gilbert (collectie David Russell)

Robert Ruck
Robert Ruck

Dominique Delarue
Dominique Delarue

Weer andere bouwers zullen op de hoogte zijn geweest, maar vonden blijkbaar dat de literatuur zich aan de gitaar moest aanpassen en niet andersom. Een ietwat ondankbaar trekje jegens iemand die de gitaar de “smakelijke vruchten van zijn talent” (aldus Segovia) schonk, en haar als muziekinstrument met een eigen repertoire naar een hoger plan tilde.


Bernabe

Ramirez
Ramirez

Miguel Rodriguez 1976
Miguel Rodriguez

Damman2.png
Damman

Romanillos
Romanillos

Smallman
Smallman

En dan is er nog een andere componist met hoge noot: Agustín Barrios (1885 -1944).

In zijn tremolowerk “Un Sueño en la Floresta” vraagt hij om een hoge C op een (niet bestaande) 20ste fret. Toen John Williams in 1977 dit substantiële werk, samen met andere Barrios-composities, op LP wereldkundig maakte, loste hij het probleem op door een stukje lucifer op zijn Fleta te plakken.


Barrios met 20 à 21 frets

De rest is historie, Agustín Barrios maakte een postume bliksemcarriere, en werd in no time net zo’n vast onderdeel van het klassieke gitaar-meubilair als eerdergenoemde Villa Lobos.

Om hernieuwd geklooi met lucifers voor te zijn, gingen sommige bouwers hun gitaren voorzien van een klein stukje fret in 20ste positie. Zo was hun gitaar klaar voor het hele standaardrepertoire…

Het knotsgekke is echter dat sommige van die bouwers dat nieuwe stukje 20ste combineren met die oude gespleten 19de fret. Hè? Is Barrios (20) belangrijker dan Villa Lobos (19)? Waarom krijgt de één wel een fret en de ander niet? En waarom aan twintig beginnen als negentien nog niet af is? Ik ben de logica even kwijt.

Greg Byers
Greg Byers

Contreras
Contreras

Damman
Damman


Christopher Dean

Marin Montero
Marin Montero

Andres Marvi
Andres Marvi

Vasquez Rubio
Vasquez Rubio

Philip Woodfield
Philip Woodfield

Zouden die bouwers dit nu bewust doen? Kan me nauwelijks voorstellen. Hoe dan ook, het kan ook zo:

Casimiro Lozano
Casimiro Lozano

Daniele Chiesa
Daniele Chiesa

Thomas Humphrey
Thomas Humphrey

Paul Jacobson
Paul Jacobson

Bernhard Kresse
Bernhard Kresse (het zijn er 20…)

Santiago Marin
Santiago Marin

Roland Scharbattke
Roland Scharbatke

Bouwers zouden het voortouw moeten nemen. Een nieuwe gitaar zou standaard 19 volledige fretten moeten hebben, en een klein stukje 20ste. Daarmee cover je het standaardrepertoire. Als er dan gitaristen zijn die vinden dat dat teveel is (”omdat we die stukken nooit spelen” - de ware reden zal wel zijn dat ze het nooit zullen kunnen - of die om een andere reden een conservatieve positie innemen), dan kunnen ze de bouwer verzoeken om een traditionele toets (”Mag het ietsje minder zijn, bouwer?”). Het moet niet zo zijn dat de onverlichten ons hun normen voorschrijven, ons als gek beschouwen, terwijl het natuurlijk andersom zou moeten zijn. Ze zouden eigenlijk in pijnlijk besef van hun onwetendheid hun muil moeten houden - maar da’s te veel gevraagd. Als een gitarist (of moet ik veiligheidshalve maar zeggen ‘gitaarbezitter’?) het “niets kan schelen” dat z’n 19de fret gespleten is, dan zal het die gitarist net zo goed een worst zijn als dat níet het geval is, of als er een fretje méér opzit. Als het hem “niets kan schelen” ziet hij het verschil waarschijnlijk niet eens. Bouwers moeten zich niet richten naar diegenen die hardop bekennen dat zaken hen “niets kunnen schelen”, ze kunnen zich beter richten naar diegenen die wel om de zaken geven.

Het geven van commentaar is niet meer mogelijk.