Paul Pleijsier - Gitarist  
     

Klemgereden: de ziel van de muziek

Stel, ik bedenk een muziekstuk. Ik speel het op m’n gitaar. Ik schrijf het niet op, het zit in mijn hoofd. Ik werk er aan tot ik tevreden ben.

Nu wil ik, om wat voor reden dan ook, dat stuk in muzieknoten gaan vastleggen.

Op dat moment ga ik mij bewust worden van een aantal zaken waar ik anders niet over nadenk. Deze zaken, zo zullen we zien, leiden tot meer inzicht in het fenomeen ‘gedrukte muziek’.

Het opschrijven van mijn stuk zou simpel moeten zijn. Ik bepaal welke noten ik speel, in welk ritme. Vervolgens wat technische notatiekwesties regelen, even noest arbeiden, klaar.

Maar het is anders.

Ik ga aan de slag, en zodra ik doorspeel wat ik heb genoteerd denk ik: “hè, zo was het toch niet?” Ik kom er achter dat ik op sommige plekken in m’n compositie onbewust enigszins afwijk van het genoteerde, een variant speel, terwijl ik denk één en hetzelfde onveranderlijke ding te spelen.

Na deze schrik ga ik dus bepalen wat de beste variant is. Laat ik ‘m ‘A’ noemen. Maar er gebeurt iets raars: een dag (of een minuut..) later denk ik: het is toch ‘B’. Even later meen ik het licht te zien: het moet ‘C’ wezen… Hoe ik denk dat dat kan zal ik straks uitleggen.

Wil ik m’n notatieklusje afkrijgen, dan moet er een keuze gemaakt worden tussen de varianten. Of hoeft dat niet? In gedrukte muziek zie je namelijk wel eens een alternatiefje staan voor een bepaalde passage, op een apart, klein gedrukt balkje, een zg. ‘ossia’. Daarbij gaat het meestal om een versimpeling, voor als de componist bang is dat de echte noten lastig speelbaar zijn.

Maar in mijn situatie is het anders. Bij mij gaat het om kleine varianten die allemaal even makkelijk of moeilijk zijn. Die in ossia’s uit te drukken zou belachelijk zijn. De componist zou de speler lastig vallen met zijn eigen besluiteloosheid. Daar zijn ossia’s niet voor.

Je neemt dus een besluit, je kiest bijvoorbeeld voor het meest gewone variantje, in de hoop dat je de essentie van die passage te pakken hebt.

Nu ontstaat een gekke situatie. Dat wat je opschrijft gaat voor de eeuwigheid de geschreven cq gedrukte pagina op. Terwijl je zelf weet dat je in de praktijk steeds een beetje varieert.

Iemand anders die het stuk onder ogen krijgt, weet dat niet.

Nu kan je zeggen: “dat spelen van varianten in de compositie is het prerogatief van de componist. Als gewone stervelingen ook variaties in composities gaan spelen kan het gebeuren dat het stuk te ver van de componist af komt te staan. Anderen moeten spelen wat er staat. Anders wordt het een rommeltje in de muziek”.

Dat zal best voor een deel van de “beunhaas-variaties” gelden, maar waar wij als luisteraars allemaal baat bij hebben, zijn spannende uitvoeringen, en dat zijn uitvoeringen die niet voorgeprogrammeerd zijn, uitvoeringen waarin de speler iets kan toelaten wat ik het ‘hier en nu’ noem.

Hoe verklaar ik trouwens die variantjes? Ik denk dat ze te maken hebben met het ‘hier en nu’. Ze zijn vluchtig, ze horen bij een bepaald moment in de tijd waarop alles anders is dan op elk ander moment. Zo’n onbewust detail in je eigen compositie klinkt op het moment van spelen alsof het zo hoort. Het is onderdeel van de ‘flow’, alleen geldig in het hier en nu.

Nu zou je zeggen: wil je goed noteren, speel dan eerst het hele stuk, neem het op, en schrijf vervolgens precies op wat je hoort, dan is alles toch in verhouding?

Goed, stel dat het mij lukt om allerlei subtiele details te noteren. Denk je nu dat MIJN in notatie vastgelegde, op de pagina gestolde ‘hier en nu’, op een ANDER moment, gepeeld door een ANDER, ooit nog ‘hier en nu’ kan worden?

Wat moeten we hiermee? Ik denk dat we onder ogen moeten zien dat het enige dat je bij het noteren kan vastleggen, een muzikaal skelet is, ontdaan van al te veel persoonlijke noot. Op papier ontbreekt er dus altijd ‘iets’. Gewone varianten, maar ook allerlei kleinere details. Niet alleen in MIJN composities, maar naar ik aanneem op heel veel gedrukte pagina’s van heel veel componisten. Dat ‘iets’ is te vluchtig om te kunnen noteren, maar ook te belangrijk om te kunnen missen.

Zie hier, voor u klemgereden: de ‘ziel’ van een muzikale uitvoering.

Overigens vermoed ik dat ik een enorme open deur sta in te trappen, en dat iedereen dit wel weet. Benjamin Britten, over wie ik juist een boek lees, zegt het als volgt: “Indeed, this magic can be said to consist of just the music which is NOT in the score.” (Britten on Music, p. 260).

Als uitvoerder kan je dat in je achterhoofd houden als je een stuk van blad uitvoert, maar ook als je een transcriptie maakt vanaf een krakende 78-toeren plaat van één of ander geniaal nooit in druk verschenen stuk (Barrios comes to mind). In de eerste situatie ga je iets toevoegen, wat je in de tweede situatie moet aftrekken.

Als men om wat voor reden ook niet met zaken als bovenstaande in aanraking komt, kan dat reden geven voor veel gezeur. Laatst speelde ik Sor en zei iemand: ‘JA, maar jij speelt niet wat er staat!’ Het klonk namelijk niet als een computer die de bewuste partituur afspeelde. Spreker dacht dat het vierkant en richtingsloos moest zijn, want dat stond er.

Een goede performer giet (met ontzag voor de noten) als vanzelfsprekend een sausje over de muziek, en kan daarmee een stuk tot leven kussen. Julian Bream probeerde bewust het ‘hier en nu’ binnen te laten in zijn uitvoeringen (hij spreekt daarover op zijn DVD “My life in Music”). Maar je hebt ook musici die ernaar streven om op een concert hun eigen plaatopname zo perfect mogelijk na te spelen. Je snapt ‘t: dat gaat ‘m niet worden.

So far voor de aard en de betekenis van gedrukte nootjes!

Het geven van commentaar is niet meer mogelijk.