Paul Pleijsier - Gitarist  
     

Zapcultuur anno 1820

Ik luister thuis zelden een hele CD uit. Ik zie er een beetje tegenop om 45 minuten naar één en hetzelfde te luisteren. Alles gaat op den duur op elkaar lijken.

Het is de zapcultuur, zeggen ze. Moderne mensen kunnen zich nauwelijks langer dan een minuut concentreren, en daarna zoeken ze een nieuwe prikkel. Bedoeld wordt: helaas zijn we zo afgestompt dat we geen tijd meer hebben voor een stukje ‘echte cultuur’.

Toch is er niets nieuws onder de zon. Als een wetenschapper naar concertprogramma’s van 200 jaar geleden ging kijken, zou hij concluderen dat mensen uit die tijd veel meer last van zapcultuur hadden dan wij. Behalve dan dat niemand nog ooit van het woord gehoord had.

Een willekeurig voorbeeld:

In 1827 gaf de gitarist Sor een concert in Parijs. Er was, zoals zo vaak, een ad-hoc orkest aanwezig. Dat begon, bijvoorbeeld, met een symphonie van Spohr. Men speelde niet alle vier delen maar alleen het Allegro. Daarna was het de beurt aan mevrouw Sinier, die een fraaie aria zong uit de Hugenoten, met pianobegeleiding van de heer Lafont. Hierna kwam den heer Herz, die op de viool variaties speelde van eigen hand. Daarna kwam ons orkestje weer met bla. Nu was iedereen sufgebeukt van dat geweld, en daar kwam den heer Sor met een vers werk van eigen hand bla enz. Nog een leuk detail: tot besluit speelde het orkest volgens oud gebruik een ouverture.

Het concert als variété, zo ging dat in de 19de-eeuwse Europeesche cultuursteden.

De oude Sor heeft in zijn hele leven op één concert nauwelijks meer dan twéé werken gespeeld. Ik zelf speel in één concert meer gitaarnoten dan Sor in vijf.

Het negatieve begrip ‘zapcultuur’ is in deze context natuurlijk onzin, de oudjes wilden gewoon afwisseling.

Maar die ‘afwisseling’ is in de loop van 200 jaar grotendeels verdwenen. Het lijkt wel of het klassieke concertpubliek juist minder last van zapcultuur heeft gekregen. Bij concerten anno nu hoor je alle delen van een orkestwerk, de programmering bevat verwante stukken en componisten, en vaak vult een klein ensemble, een duo of zelfs een solist een heel concert.

De gitarist Segovia (1893-1987) werd in de tweede helft van zijn lange leven nog wel eens bekritiseerd omdat hij uit een suite of cyclus maar een paar deeltjes speelde. Zo’n losstaande Gavotte, dat kon niet meer, vond men. Zodat zijn opvolgers, te beginnen met J. Bream, vooral complete suites etcetera gingen spelen.

Of dat een vooruitgang is weet ik niet. Wie iets ‘compleet’ ten gehore wilt brengen mag best een interpreet zijn om ‘U’ tegen te zeggen. Zo niet dan ligt verveling bij de luisteraar op de loer.

Afwisseling is een nastrevenswaardig fenomeen met een historisch precedent. Afwisseling is iets anders dan ‘zapcultuur’. Het politiek correcte luisteren naar ‘complete werken’ is te vergelijken met het drinken van levertraan. Het zal wel goed zijn, maar lekker is niet. Het luisteren naar losse deeltjes daarentegen is iets voor connoisseurs, er ligt een muzikaal waarde-oordeel aan ten grondslag (waarom uitgerekend dit?) en is dus interessant.

(Tenzij men als uitvoerder andermans deeltjeskeuze naspeelt. Ga alsjeblieft wel op zoek naar je eigen ‘hits’).

In een aflevering uit ca. 1850 van het Nederlandse muziektijdschrift “Caecilia” vond ik een kritische opmerking van een recensent. Het betrof hier een concert waarbij de eerbiedwaardige zangeres het bestaan had om maar liefst vijf (vijf!) liederen achtereen te zingen. Zoiets doet men toch niet!

Betreffende passage was door een lezer voorzien van uitroeptekens. In het handschrift herkende ik de musicus en muziekverzamelaar Willem Noske (1918-1995).

Ik heb nog door hem georganiseerde concerten bijgewoond. Daar speelden diverse musici in diverse combinaties diverse (Nederlandse) componisten. Een reeks van vijf liederen achtereen herinner ik me niet. Noske was blijkbaar ook een voorstander van zapcultuur, eh, afwisseling.


Willem Noske

Het geven van commentaar is niet meer mogelijk.